Trots

Het moet ongeveer 3 weken geleden zijn geweest op een maandagavond. Eén van die laatste dagen vlak voor het verzetten van de klok, waarbij zelfs het daglicht van de wintertijd ons avondeten al vergezelde. Zoals ik me dat ook herinner van mijn eigen jeugd, is bij ons het avondeten doorgaans een rustpunt. De plek waar de dag aan tafel doorgenomen wordt, gebeurtenissen die indruk hebben gemaakt een plek krijgen en waar de grappen en de grollen natuurlijk ook over diezelfde tafel moeten kunnen gaan. Wat Lot op deze momenten deelt verschilt nogal eens. De ene keer begint ze al met vertellen over school op het moment dat haar klasdeur openzwaait en ze op me af komt rennen met haar spullen nog in de hand en gaat ze door tot het moment dat ze haar hoofd ’s avonds op haar kussen legt, terwijl ze een andere keer een paar dagen onaangekondigd radiostilte houdt en we moeten gissen naar het schoolse gebeuren. Deze maandagavond had ze nog niet veel gedeeld, tot ze zich plotseling mengde in ons eettafelgesprek:

‘Papa. De juf zei dat we het in de klas gaan hebben over kinderen die gevlucht zijn uit de oorlog en ik heb gezegd dat jij daar heel veel over weet omdat jij die ook in de klas hebt en dat je dan ook wel graag hier iets over komt vertellen bij ons in de klas. Dus wanneer kan je?’ Terwijl ik me bijna verslikte in mijn hap gebraden-kip-van-de-markt, schoot er een vlaag van trots door me heen. Nadat ik datgene wat ze me zojuist meegedeeld had nog even verifieerde door hier en daar wat door te vragen, herinnerde ik me een nieuwsbrief van haar school waarin stond dat ze inderdaad aan de slag zouden gaan rondom het thema WarChild. Het trotse gevoel zat hem er vooral in dat mijn 4-jarige dochter blijkbaar haarfijn wist wat ik deed voor de kost. Ik vertel haar hier uiteraard regelmatig over, maar dat ze dit ook daadwerkelijk oppikt en opslaat verraste me enigszins. Dat ze daarnaast ook nog dit gegeven wist in te zetten nadat haar eigen juf wat verteld had over vluchtelingenkinderen en ze de handschoen oppakte om ‘eventjes’ te regelen dat ik wel wat zou komen vertellen in de klas verraste me mogelijk nog meer.

Zo gezegd, zo gedaan, zo geschiedde. Afgelopen donderdag mocht ik in twee kleuterklassen van De Keg in Venray wat vertellen over vluchtelingenkinderen. Niet het gemakkelijkste onderwerp voor een publiek van 4 tot 6 jarigen, maar wat heb ik genoten. In beide groepen zaten ongeveer 30 koppies aandachtig te luisteren naar waar die kinderen eigenlijk vandaan kwamen, waarom ze vluchten, waar ze dan naar toe gaan, hoe ze vluchten, waar en hoe we ze in Nederland opvangen en wat die kinderen eigenlijk doen zodra ze in Nederland zijn en onder andere bij mijzelf in de klas zitten. Kleuters verwerken zo’n verhaal vaak niet door vragen te stellen, maar juist door het delen van hun eigen ervaringen vanuit hun eigen kleuterperspectief:

‘Ik ben ook wel eens in een ander land geweest’. ‘Ik heb ook wel eens in een trein gezeten’. ‘Mijn papa heeft ook een pistool; wel honderd denk ik’. ‘Ik ben ook wel eens in het oorlogsmuseum geweest’. ‘Ik heb ook wel eens in een tent geslapen’. ‘Mijn opa is ook wel eens in een oorlog geweest.’ ‘Ik ken ook iemand die Mohamed heet.’

Het was een bijzondere ervaring. Niet in de laatste plaats omdat mijn regelmeisje in beide groepen fungeerde als mijn persoonlijke assistente. Ze dartelde om me heen, hielp me met haar eigen wereldkaart, manifesteerde zich soms als publieksmenner door als eerste te lachen om mijn grapjes of het heftigst te reageren wanneer ik vertelde hoever het reizen was of hoelang zo’n familie met kleine kinderen in een tent of op een klein kamertje met stapelbedden moest slapen. ’s Avonds aan tafel glommen we allebei nog na van trots toen we samen onze ervaringen deelden met mama en we vertelden door tot het moment kwam dat onze hoofden ons kussen raakten.
JAN  

  • Beoordeel dit item
    (3 stemmen)
  • Gepubliceerd in Column
  • Lees 1156 keer
terug naar boven